If we took a holiday.

‘Ga je nog op vakantie?’, is een vraag die mij nu veel gesteld word tijdens het werk. En die vraag moet ik helaas beantwoorden met een ‘Nee’. We hadden een vakantie geboekt naar Fuerte Ventura. Heerlijk naar een Spaans eiland, de muziek, het eten, de taal, de sfeer, ik heb er een zwak voor. Maar naarmate de vakantie vorderde kreeg ik het toch wel een beetje (Spaans ) benauwd. Het feit dat we ruim vierenhalf uur met een mondkapje op zouden moeten zitten in het vliegtuig, en dan laat ik de openbare ruimtes nog even achterwege waar ook een mondkapje wordt verwacht, dat zag ik toch  niet zo zitten. En stel voor dat er iets gebeurt, dat er iets uitbreekt, dan zit je daar met twee kids….

Dat de vakantie werd geannuleerd door de reisorganisatie kwam ons dan eigenlijk toch wel goed uit. Ik geef toe dat ik moest wennen aan het idee dat we niet op vakantie zouden gaan, ik zag mezelf al aan het zwembad liggen met een kannetje sangria binnen handbereik, maar het feit dat wij niet de enige zijn die in deze situatie zitten is een schrale troost.  We hebben besloten om thuis te blijven en om onze drie weken vakantie op te vullen met dagjes uit: naar vrienden op de camping, de toerist in eigen stad uithangen, lange pyjama ochtenden en late film avondjes. Nu dat idee geland is kijk ik er eigenlijk wel naar uit.

Ik besprak mijn vakantie-perikelen met een klant van mij, een meneer van 87 jaar die elke jaar all- inclusieve gaat in Turkije. Dit jaar zou hij het over een andere boeg gooien: hij had een vakantie geboekt naar ‘Benniedorm’. Ook hij heeft besloten om niet te gaan. ‘Ben gekke Henkie niet, ik blijf veilig thuis meissie’, was zijn antwoord op mijn vraag of hij nog weg gaat.

Andere klanten van mij durven het wel aan om te vliegen, of met de auto naar het buitenland op vakantie te gaan. Iedereen heeft zijn eigen ideeën en opvullingen wat de zomervakantie betreft.

 Ik hoop dat iedereen weer veilig en gezond thuis komt. En dat we onze vakanties volgend jaar weer op de manier kunnen invullen waarop we het liefst zouden willen. Een wijze klant op leeftijd zei tegen mij: ‘eigenlijk is het gewoon een luxeprobleem’. En daar geef ik haar helemaal gelijk in..

Liefs, Judith

Perfect Cat

‘Hallo Sjoedith, wat ben ik blij je te zien’, zegt ze met een licht Frans accent. Mevrouw woont al heel lang in Nederland, maar haar accent is lichtelijk aanwezig. Ze staat in de deuropening van haar knusse huisje als ze me vriendelijk begroet. Ik zet mijn mondkapje op als ik dichterbij kom. ‘Goedendag Mevrouw, wat fijn om u weer te zien’. Ze antwoord dat ze zich heeft verheugd op de pedicure-behandeling: ‘je bent de eerste die weer binnen komt sinds weken, er is nog niemand langs geweest, zelfs de schoonmaakster is al een poosje niet meer langs gekomen. Mijn kinderen willen liever niet te veel voetjes over de vloer hebben bij me, ze willen me beschermen. Maar ik heb gezegd tegen ze dat ik echt mijn voeten gedaan wil hebben, ik vond het de vorige keer zo fijn’.

Ik laat haar voor gaan naar binnen en via een smal gangetje lopen we haar gezellige woonkamer in. De kamer is gevuld met foto’s, beeldjes en allerlei prullaria. Na wat geschuif met stoelen over en weer heb ik een werkruimte kunnen creëren. We beginnen met de behandeling maar halverwege krijg ik kriebel in mijn neus en mijn ogen beginnen te branden. Ik kan een niesbui niet onderdrukken en draai me weg van haar om te kunnen niezen. Dan zie ik haar kat zitten in de keuken, daar zit ie, de kleine boosdoener. Ik ben namelijk ont-zet-tend allergisch voor katten. De ene keer is het erger dan de andere keer, maar nu kwam de bui wel heel snel opzetten. Dat de schoonmaakster al een tijdje niet is geweest werkt ook niet mee bedenk ik me. Ik excuseer me en vertel haar dat ik allergisch ben. Dan verteld ze me over haar kat, dat die uit het asiel is gehaald en dat het beestje haar heel veel liefde en gezelschap geeft. Ondertussen is het beestje mijn kant op gekomen en strijkt met zijn flank langs mijn benen. Voorzichtig schuif ik de zwarte kat met bruine vlekjes aan de kant. Kattenharen op mijn broek staat garant voor nog veel meer niesbuien.

Ik zal er ook maar eerlijk voor uitkomen, buiten het feit dat ik allergisch ben, ben ik ook gewoon geen kattenmens. En volgens mij is het vaak wederzijds. Als klein meisje had ik regelmatig een kras op mijn arm omdat de kat die ik buiten op straat wilde aaien geen zin had in een kroelpartij met mij. Als ik op visite kwam bij mensen met een kat sprongen ze (vanuit het niets) op mijn schoot om fijn even hun nagels in mijn broek te zetten. En tegenwoordig ben ik dus ook nog eens behoorlijk allergisch voor deze beestjes. Het mag duidelijk zijn: katten en ik gaan gewoon niet samen. En ik verdenk katten ervan dat ze dat stiekem dondersgoed weten, ze komen me altijd opzoeken, springen bij me op schoot, en kruipen in mijn werktas om daar vervolgens zichzelf in te installeren.

Terwijl ik mijn spullen inpak na de behandeling komt mevrouw na me toe geschuifeld: ‘ik wil je wat geven, voor als ik er niet meer ben, dan kan je nog eens aan me denken’. Ik kijk haar vragend aan, mevrouw is 85 jaar, maar nog zo fit als een hoentje. Ze verzekerd me dat alles goed gaat met haar, maar dat ze me graag wat wilt geven. Ze opent haar gerimpelde handen en laat me een beeldje van een kat zien. ‘Die is voor jou, ik weet zeker dat je van deze kat niet gaat niezen’. Ik pak het beeldje aan, het is van groen glas en het is een kat die zijn rug bolt. Ik vind ‘m prachtig, en hij past precies bij de kleuren van mijn woonkamer. ‘Jeetje, dank u wel, zeg ik zachtjes, wat ontzettend lief’. ‘Die krijgt een mooi plekje in de woonkamer’, beloof ik haar, en ik stop het beeldje voorzichtig in een veilig plekje in mijn tas. Mevrouw laat me uit en zwaait totdat ik uit haar zicht ben verdwenen.

Eenmaal thuis gekomen haal ik het beeldje uit mijn tas en bekijk het nogmaals. Ik hou het poezenbeeldje tegen het licht aan en de kat glimt mooi in het zonnetje als ik ‘m op de plank boven de bank neerzet, alsof die er al jaren staat.

Nee, ik ben geen kattenmens, maar voor sommige katten maak ik graag een uitzondering….

Young Blood

Het is midden in de nacht als ik in de verte heel zachtjes iemand ‘mama’ hoor zeggen. Ik open langzaam mijn ogen en bevind me nog in de schemerwereld tussen slapen en wakker zijn in. Op het moment dat ik weer verder in slaap sukkel hoor ik weer ‘mama’ in de verte en ik besef me dat het geen droom is. Ik werp een blik op mijn wekker die aangeeft dat het kwart over één is. Ik word weer geroepen, nu iets harder, het komt vanuit de overloop. Ik trek mijn warme duster en pantoffels aan en loop richting de gang.

In het flauwe licht van de badkamer zie ik mijn zoon staan, hij zit onder het bloed. Zijn gezicht en zijn armen zijn er helemaal besmeurd mee. Hij trilt op zijn benen, zijn ‘stokjes’, zoals wij ze liefkozend noemen. Tijdens menig voetbalwedstrijd rent hij als een mini tornado over het veld ermee, mijn stoere vent. Maar op dit moment is niks terug te vinden van zijn stoere kant en oogt hij kwetsbaar. Ik schrik: ‘jeetje knul wat is er gebeurd, het lijkt wel of je hebt gevochten’. Hij vertelt mij dat hij een bloedneus heeft en ik neem hem naar de badkamer. Ik maak een washandje nat waarmee ik voorzichtig zijn gezicht en zijn armen schoonmaak. Het bloeden gaat door en ik geef hem een tissue om het mee te stelpen.

Ik sla een arm om hem heen als we naar zijn slaapkamer toe lopen en mijn oog valt op zijn vloerbedekking. Toen mijn man en ik dit huis gingen inrichten hadden we gekozen voor witte vloerbedekking. Lekker warm aan je voeten en het oogt mooi, vonden we toen. Totaal niet bij stil gestaan dat er ooit misschien wel nageslacht zou komen die in deze slaapkamers zouden gaan leven. In de loop van de jaren is er al van alles over de vloer gegaan: braaksel, lijm, stift, bekers limo, paprika chips, putty. Het is een wonder dat het er nog zo netjes uit ziet. Tot aan deze avond: over de gehele vloer liggen bloeddruppels verspreid, een gemiddeld plaats delict zou er niet voor onder doen.

‘Sorry mama’, zegt hij. Ik vertel hem dat het niet erg is en dat hij maar lekker zijn warme bed in moet kruipen. (Die wonder boven wonder schoon is gebleven) Hij klimt zijn bed in met de tissue tegen zijn neus aan. Ik ga aan de slag en schrob het plaats delict schoon met koud water. Na ruim een half uur ben ik klaar en zijn alle sporen gewist, de crime scene is schoon geveegd. Het schoonmaken ging me makkelijker af als ik had verwacht, alsof ik het vaker heb gedaan, hopelijk niet iets uit een vorig leven.

‘Ik kan niet slapen mama’, hoor ik vanuit de hoogslaper als ik de schoonmaakspullen wil opruimen. ‘Ik kom wel even bij je liggen lieffie’, zeg ik tegen hem. Ik kruip bij hem in bed onder zijn Freek dekbed en zie dat het bloeden gestopt is. Hij kruipt tegen mij aan en zegt: ‘het is net alsof Corona al heel normaal is he mama?’ Ik glimlach en terwijl ik een aai over zijn bol geef zeg ik: ‘het went snel he?’.

Zijn ademhaling wordt zwaarder en hij valt in slaap. Voorzichtig klim ik zijn bed uit en kruip mijn eigen bed in, de wekker geeft half drie aan. Ik denk nog even terug aan zijn opmerking over Corona: de onzichtbare vijand. Dan kan je het beter opnemen tegen iemand die je wel ziet, iemand die zichtbaar is, iemand die je een bloedneus kan kosten. Dat is pas een eerlijke strijd.

Liefs, Judith

From a Distance

Ik leg de handscanner op de zelfscan-balie van de Jumbo als mijn oog valt op het bordje met daarop het vriendelijke, doch dringend, verzoek om anderhalve meter afstand te houden van elkaar bij de kassa’s. Die anderhalve meter afstand mag van mij permanent worden doorgevoerd, denk ik terwijl ik afreken. Ik denk aan die keren dat ik een boodschappenkarretje tegen mijn hielen aan kreeg, of dat ik bezig was met mijn boodschappen op de band te leggen en dat degene achter me ook al was begonnen met het uitladen van zijn spullen terwijl ik nog niet eens klaar was. Een bron van irritatie. Ik trek dat soort momenten echt slecht.

Waar ik ook de kriebels van krijg is als je een gesprekspartner hebt die ontzettend in je aura komt. Zo iemand die net even te dichtbij staat waardoor ik me ontzettend ongemakkelijk voel. Ik doe dan altijd een stap naar achter, maar op de één of andere wonderbaarlijke wijze weet degene toch weer in mijn personal space te belanden.

En nu zijn we met zijn allen beland in een situatie waar we juist afstand moéten bewaren. We moeten afstand bewaren zodat we onze medemens eventueel niet besmetten, we moeten afstand bewaren zodat we zelf niet het risico lopen om ziek te worden. De keren dat ik naar buiten ga, ben ik me ontzettend bewust van die afstand. Ik loop om mensen heen en ik houd zoveel mogelijk afstand.

Maar ik mis het lichamelijk contact met mijn naasten. Even knuffelen met mijn moeder, of mijn zus drie dikke zoenen geven als ik haar na een tijd weer zie, mijn neefje een dikke kroel geven, dat kan nu niet. Het is niet verstandig. Het is even zwaaien op afstand, en dat voelt koud aan.

Ik kan niet wachten om mijn klanten weer de hand te schudden, om de demente klanten even zachtjes over de arm te wrijven als ze mij niet herkennen. Tot die tijd knuffel ik hier thuis heel wat af met mijn gezin en ons hondje. Mijn zoontje krijgt (onder luid protest) een kus op zijn bol, mijn dochter kietel ik door haar haartjes als ze heerlijk ligt te slapen , mijn man krijgt spontaan een kus op de mond tijdens het (terug) kijken van voetbal, en de hond geniet van de extra aandacht die ze krijgt zodra ze zich heeft geïnstalleerd naast me op de bank.

En straks, als alle ellende voorbij is, zal ik nooit meer mopperen op de mensen die op mijn huid zitten, of op de mensen in de rij bij de supermarkt die in mijn comfort zone komen. Want alles is beter dan dit…..

Let op jezelf, en op elkaar.

Liefs, Judith

Just Breathe

Ik sta voor het verkeerslicht op de Weena. Het is aan het eind van de middag, en de spits is in volle gang. De werkzaamheden op de Coolsingel doen nog een schepje bovenop de drukte. Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel en ik zie een zwarte SUV die zijn raampje open draait en op zijn gemak een paar lege flesjes Spa blauw zijn auto uit gooit. ‘Wat een eikel’, mompel ik en ik werp hem een boze blik toe via mijn achteruitkijkspiegel. Ik weet dat het geen nut heeft omdat ik een geblindeerde achteruit heb, (en omdat mijn boze blikken niet heel indrukwekkend zijn volgens mijn man) maar stiekem hoop ik dat hij een glimp opvangt. Ik kan dit huftergedrag slecht hebben. Waarom moet je je vuil nou zo nodig op straat gooien? Kan je het nou niet heel even bewaren totdat je bij een vuilnisbak bent, je auto is groot genoeg voor, denk ik bij mezelf.

Pas geleden sprak ik er met een klant over met wie ik dezelfde verkeers-frustraties deel. Namelijk die van gladde mannen in strakke pakken in grote auto’s die denken dat ze meer recht op het asfalt hebben omdat ze toevallig een duurdere auto rijden. Excuus voor het vooroordeel, maar dit zijn vaak de types die niet normaal kunnen parkeren (wat ik eigenlijk nog een prestatie vind aangezien auto’s van deze klasse vaak parkeercamera’s hebben), of over de maasboulevard racen alsof ze beland zijn in een Formule1-race, of op mijn bumper kleven als een vlieg op stroop . Grappig feitje: bij mijn vorige baan reed ik in een Volkswagen station, van bumperklevers had ik toen totaal geen last, maar nu ik in een auto rijd die een stuk kleiner is heeft mijn bumper regelmatig weer innige relaties met de auto’s achter mij.

‘Wat is dat toch? Waarom zijn het vaak dezelfde types die dit irritante gedrag vertonen op de weg’? Vraag ik aan de klant. Ze schud haar hoofd en zegt dat ze het niet weet. Ze verteld me dat ze regelmatig dezelfde ergernissen had onderweg en dat ze het niet kon laten om als antwoord haar middelvinger te gebruiken. Ik schiet in de lach, de gedachte dat deze nette dame, die er altijd keurig bij loopt, ABN praat, en van wie haar woning altijd spik en span is, zich in de auto ontpopt als iemand met een gespleten persoonlijkheid vind ik een grappig idee.

Om nog maar even door te gaan over gebaren maken in het verkeer: een vriendin van mij vertelde eens dat ze een ‘kleine piemel gebaar ‘ maakte naar degene die haar inhaalde nadat hij een poosje op haar bumper had gezeten. ‘Zou dat het zijn? De behoefte om te compenseren?’ vroeg ik aan mijn vriendin. ‘Wie weet, of ze hebben thuis niks te zeggen’ dat kan natuurlijk ook. We lachten en kwamen tot de conclusie dat we er nooit achter zullen komen.

Gelukkig is er ook een hoop positieve tijd te vinden op de weg. Als vrouw zijnde kom je soms met een simpel knipoogje al een heel eind. Tijdens het invoegen op de altijd-drukke-A2O werp ik regelmatig een blik naar mijn buurman en zet mijn liefste lach op, gegarandeerd dat hij mij er voor laat. Daarnaast heb ik mezelf eens, schaamteloos, onder een bekeuring uit weten te kletsen. Ik was er heilig van overtuigd dat het verkeerslicht donker-oranje was waar ik doorheen reed en niet rood zoals meneer de agent beweerde toen ik werd aangehouden. Maar hij wilde niks weten van mijn argumenten dus ik probeerde mijn trots even opzij te schuiven en het over een andere boeg te gooien. Ik zette mijn puppy-ogen op en perste er een: ‘sorry, meneer de agent u heeft gelijk, ik zal het nooit meer doen’, uit. Ja ik weet het, dit moment uit mijn verleden getuigd niet echt van girlpower maar ik kwam er mooi vanaf met een waarschuwing. Daar ging mijn waardigheid voor een moment, maar het geld voor de bekeuring kon ik op dat moment echt niet missen. Nood breekt wet zeg maar.

Ik heb in de tussentijd geleerd om mezelf niet meer zo vaak te laten opfokken in het verkeer, adem in en adem uit en laat het gaan. ( En het schelden leer je vanzelf wel af met kinderen op de achterbank: ‘oh mama zei f*ck is niet zo sjiek om te horen) Ik lach lief en knipoog mezelf wel door de jungle heen. En wie weet komen we elkaar eens tegen in het verkeer, ik ben te herkennen aan een kleine paarse auto met een bumperklever erachter.

Small talk, big heart

Ze ligt op bed terwijl ze naar buiten tuurt. Haar slaapkamer heeft een mooi uitzicht, mensen en auto’s komen voorbij en verdwijnen weer in de drukte van de stad. Haar dunne lichaam is verstopt onder warme dekens, een glimlach verschijnt op haar gezicht als ik haar slaapkamer binnen kom. Ik begroet haar vriendelijk, maar vraag bewust niet hoe het met haar gaat. Het antwoord weet ik namelijk al, en ik wil haar niet confronteren met haar ziekte. Ik had me van te voren voor genomen dat ik de behandeling luchtig en gezellig zou houden: ‘tutten en kletsen’ is de insteek. Het moet een welkome afwisseling zijn voor haar.

Ze is precies 10 jaar jonger als dat ik ben. Toen ik haar leeftijd had was ik bezig met het starten van een gezin, we waren bezig om zwanger te raken van ons eerste kindje wat vrij snel lukte, drieënhalf jaar later werd ons tweede kindje geboren. Zij is totaal met andere dingen bezig, maar ze vraagt heel geïnteresseerd naar mijn kinderen. Hoe oud ze zijn, hoe ze heten, en hoe ze het op school doen. Ik vertel haar een paar grappige quotes van mijn kinderen (daar zou ik serieus een boek mee kunnen vullen), ze lacht erom en ze verteld vol passie over haar nichtjes en neefjes die bij vlakbij haar in de buurt wonen en die regelmatig langs komen.

We praatten niet over haar ziekte, over de pijn die ze heeft, of over haar vooruitzichten. We kletsen over koetjes en kalfjes. De gehele pedicure-behandeling lacht ze, klets ze, verteld ze honderd uit over wat haar bezig houdt. Na de behandeling loop ik naar de keuken om mijn handen te gaan wassen. Ik zie foto’s van de periode van toen ze nog gezond was. Een vrolijk, stralend meisje kijkt in de camera. Dat vrolijke meisje zit nog in haar, verborgen in een ziek lijf. Als ik klaar ben met het opruimen van mijn spullen, loop ik nog even naar haar toe. Ik ga op de rand van haar bed zitten, ik pak haar hand en zeg haar gedag.

Als ik haar kamer uitloop werp ik nog even een blik naar buiten, naar het uitzicht op de stad. Daar gaat alles gewoon door, alsof er niks aan de hand is. Mijn wereld stond even een klein uurtje stil. Een uurtje waar ik er alleen even voor haar was. Voor die ontzettende sterke, lieve en positieve jonge vrouw, die ondanks haar ziekte blijft glimlachen en geïnteresseerd blijft in andermans wereld. Er komt een dag dat ze er niet meer is. Dat ze afscheid heeft genomen van dit leven. Ik wens haar, en haar naasten alle kracht van de wereld toe. Sommige mensen maken een indruk voor het leven, en zij is daar zeker ééntje van….

When the going gets tough

Ze ligt met haar oogjes dicht in haar warme mandje, ze slaapt. Maar zodra ik haar riempje pak gaan haar ogen meteen weer open. ‘Wat gaat het vrouwtje doen? Gaan we wandelen? Ze kent het ritme van het gezin als geen ander, ze is er al bijna 11 jaar onderdeel van. Ze wordt een dagje ouder, en dat is goed te merken. De wandelingen worden korter, en het slapen neemt toe, ons oma-hondje. Ik doe het riempje om en we lopen ons dagelijkse rondje.

Tijdens de wandeling dwalen mijn gedachte af naar de afgelopen dagen, naar mijn werkweek. Ik denk aan de bejaarde meneer die de deur niet open deed op het afgesproken tijdstip en datum. Aanbellen, opbellen, op het raam bonken, naar binnen gluren, ik kreeg geen contact. Dit is niks voor meneer, een worst-case scenario schoot door mijn gedachte: er zal toch niks gebeurd zijn? Hij zal toch niet gevallen zijn en moederziel alleen op de vloer liggen? Een onrustig gevoel bekruipt mij terwijl ik contact zoek met thuiszorg. Geen gehoor… Dan ga ik opzoek naar de huismeester, die helaas niet aanwezig is. Wat nu? Meneer heeft geen familie dus ik besluit de gemeente te bellen om de situatie voor te leggen, ondertussen belt thuiszorg terug. We spreken af dat ze polshoogte gaan nemen. Later die dag hoor ik dat meneer door alle commotie heen lag te slapen, hij dacht dat onze afspraak een dag later was.

Een paar uur later krijg ik een berichtje van de dochter van een andere klant, haar moeder is al geruime tijd ziek en ze heeft veel pijn, euthanasie was al ter sprake gekomen en zou in de nabije toekomst haar moeten verlossen van haar lijden. ‘Helaas moet ik onze afspraak afzeggen, mijn moeder neemt binnenkort afscheid, ze is in raptempo achteruit gegaan en ze kan de pijn niet meer aan’. Ik had niet verwacht dat het ineens zo snel zou gaan met mevrouw. Ik annuleer de afspraak en wens ze veel kracht en sterkte toe.

De volgende dag rij ik langs bij een klant om even wat af te geven, ze had een verzorgingsproduct voor haar voeten besteld en ik had beloofd om deze onderweg even langs te komen brengen. Ik bel aan bij de bejaarde dame, ik hoor geklop van boven komen en ze staat paniekerig voor haar slaapkamerraam te zwaaien. Na 5 minuten komt ze naar beneden en doet ze de deur open voor me. Ze pakt me meteen beet en laat me niet meer los. Mevrouw is duidelijk in de war en staat te trillen op haar dunnen beentjes. ‘Wat is er aan de hand? ‘, vraag ik haar. Ze antwoord dat ze het niet weet en herhaalt keer op keer dat ik haar zoon moet bellen. ‘kom dan lopen we even naar binnen’ zeg ik tegen mevrouw en ik laat haar in haar stoel zitten. Ik haal een glas water voor haar die ze met volle teugen leeg drinkt. Ondertussen bel ik haar zoon die meteen opneemt. ‘ik kom er direct aan’, antwoord hij door de telefoon. De gedachte dat haar zoon komt geeft haar meteen rust. Ze kalmeert en laat zich verder in de stoel zakken, mijn hand houdt ze nog steeds stevig vast. Na een klein half uurtje arriveert haar zoon.

Dit soort momenten grijpen mij aan. We hopen allemaal oud te worden, maar af en toe kan dat mensonterend zijn. Dat je niet meer weet waar je bent, dat pijn je leven beheerst , of dat je zo moe bent dat je hele dagen ligt te slapen en de wereld aan je voorbij gaat.

Tijdens het uitlaten van de hond besluit ik om mijn moeder te bellen. Ze kent ,als mede-collega, de klappen van de zweep en heeft het nodige meegemaakt tijdens haar werk als ambulante pedicure. ‘Dit soort dingen leer je niet op de opleiding he mam, en je bent toch alleen op dat soort momenten, je hebt geen collega’s om op dat moment op terug te vallen’. ‘Klopt helemaal wijffie, maar dit soort momenten ga je vaker meemaken en dan weet je hoe je moet handelen, dan valt het niet meer zo rauw op je dak’. antwoord ze mij. ‘Tja daar zal je wel gelijk in hebben’, zeg ik tegen haar. ‘Ga maar lekker naar huis, geniet nog even van je vrije uren en tik maar een mooi verhaaltje op facebook’ zegt ze lachend.

Eenmaal thuis gekomen doe ik het riempje los en Sparky de hond drentelt vrolijk de woonkamer in en zoekt haar mandje weer op. Waar ze, na een paar keer draaien, haar plek heeft gevonden en haar kop op haar kleine pootjes laat rusten. Ik ga zitten aan de eettafel en volg mijn moeders advies op en open mijn laptop. Niemand weet van te voren hoe zijn leven zal lopen of eindigen. Maar als ik mocht kiezen, dan kies ik voor het leven van ons hondje. Haar ouwe dag zal ze slijten zonder teveel struggles, dat heeft haar vrouwtje gelukkig zelf in de hand. Helaas geldt dat niet voor mensen…

Imagine a world like that

Ik kan me geen andere plek ter wereld bedenken waar vrouwen vriendelijker tegen elkaar zijn, dan bij het toilet van een uitgaansgelegenheid. Verhalen worden gedeeld tijdens het wachten in de rij, haarlak wordt gedeeld voor de spiegel, complimenten over outfits worden gegeven en kleding labels worden vakkundig terug gestopt bij elkaar zodat je niet met het etiket in je nek blijft rondlopen voor de rest van de avond.  En dan heb ik het niet eens over vriendinnen onderling die goed voor elkaar zorgen, nee ik heb het over dames die elkaar totaal niet kennen, maar die op dat moment elkaar helpen en elkaar het beste gunnen. 

Ik vraag me regelmatig af hoe het zou zijn als wij dames elkaar meer zouden helpen in het dagelijks leven. Helpen met hogerop komen in plaats van elkaar naar beneden halen, elkaar complimenteren in plaats van elkaar afvallen. Geen geroddel achter de rug om, maar face to face eerlijke, opbouwende kritiek geven. Ondanks de verschillende achtergronden, normen en waarden. Ik weet zeker dat er veel meer vrouwen aan de top van de wereld zouden staan, letterlijk en figuurlijk. 

De diversiteit van vrouwen binnen mijn klantenkring is groot: oud, jong, hetero, lesbisch, single, getrouwd, huisvrouw, carrier tijger etc. En bij deze dames komt dit gespreksonderwerp regelmatig voorbij. Wat is het toch met ons dames dat we elkaar niet meer supporten? Is het jaloezie? Het een ander niet gunnen? Zo was ik eens in gesprek met een klant, een vrouw iets jonger dan ik. Ze vroeg naar mij en naar mijn bedrijf, hoe lang ik dit werk al deed, hoe veel klanten ik heb en hoeveel uur ik in de week werk. We raakten hierover aan de praat en ze complimenteerde mij met het resultaat van al die uren werk die ik in mijn bedrijf had gestopt. “Dank je wel, wat leuk om te horen”, zei ik. “Dat zouden wij vrouwen toch meer moeten doen, elkaar even een schouderklopje geven”, was onze wederzijdse conclusie. 

Waar veel kritiek en commentaar op elkaar wordt gegeven is social media. Veel mensen vinden het makkelijk om van achter hun scherm hun ongezouten mening te geven op elkaar, en vooral de facebookgroepen waar moeders op actief zijn. Geef je je baby geen borstvoeding? Slaapt je kind bij je in bed? Trakteert je kind snoep op school? Loedermoeder die je dan bent! Moeders please, het opvoeden van je kroost is al pittig genoeg, een beetje support daarbij is meer dan welkom. Ik heb dit soort facebook groepen verlaten, ik zat niet wachten op andermans commentaar. Tips? Ja, die zijn meer dan welkom, maar die waren dus ver te zoeken. 

Is het dan allemaal kommer en kwel? Nee, absoluut niet! Ik ken genoeg dames die elkaar wél het beste gunnen. Die je complimenteren met een mooie prestatie, of hulp aanbieden wanneer ze denken dat daar behoefte aan is. Een mooi voorbeeld daarvan is van tijdens een stapavondje met mijn vriendinnen. Ik werd aangesproken door een man, we hadden even een praatje, niks bijzonders. Toen er een vrouw voorbijliep, mij aansprak en zei: “Gaat alles goed?” Ik keek deze onbekende vrouw verbaasd aan, aangezien ik haar niet kende. “Ja hoor, alles gaat goed, dank je”, ‘Oké, even checken of hij je niet lastigvalt. Wij vrouwen moeten elkaar een beetje in de gaten houden”, zei ze. “Wauw”, dacht ik, “dat is tof”. Dat zouden we toch allemaal bij elkaar moeten doen?”.  

Ik stel voor om een community starten waar vrouwen elkaar alleen maar steunen, door dik en dun. Sisterhood for life. Ik pleit ervoor! Wie doet er mee met mij?  

Imagine a world like that… 

It’s all good

Op dit moment zijn wij een midweekje weg. Even met zijn vieren, in een huisje, vlakbij het strand. Hond mee, gourmetstel mee, camping smokings mee, en het grote genieten kan beginnen. Niks moet, alles mag. En dat lukt ons heel goed. De dagen worden gevuld met uitslapen, brunchen, zwemmen, spelletjes aan de keukentafel, lekker eten, en fijne drankjes.

En dat zwemmen, dat vind ik eerlijk gezegd altijd een onderneming. Zo’n subtropisch gebeuren is voornamelijk een paradijs voor de kids, maar ik lig liever in bikini aan het zwembad onder de zon in plaats van als een malle door de wildwaterbaan te spartelen en tegelijkertijd te proberen mijn strapless badpak op zijn plek te houden. Na het zwemspektakel gaat de gezelligheid nog door tijdens het afdrogen en aankleden. De hokjes zijn te klein om je achterste fatsoenlijk te kunnen keren en jezelf af te drogen zonder dat er een kledingstuk of een handdoek op de vloer valt.

Daarom maak ik het mezelf en de kids het zo comfortabel mogelijk tijdens deze zwemavonturen. Wij gaan voor het gemak, en hijzen ons in onze jogginpakken en onesies als we naar het zwembad gaan. Makkelijk om uit te trekken en ook heel makkelijk om weer aan te trekken. Dat het alles-behalve-charmant is, dat maakt ons niet uit. ‘Ze kennen ons toch niet’, is ons motto deze mini-vakantie.

Dus op een middag, als we ons weer klaar maken voor het zwemmen, zegt manlief terwijl we in de gang staan: ‘ik ben er klaar voor’. Ik draai mij om en mijn blik valt op zijn slippers met sokken erin. ‘Prachtig schat, niks meer aan doen’, zeg ik terwijl ik de jas van mijn jongste dichtrits. Zo passen we mooi bij de omgeving, we zijn al aardig geïntegreerd hier in Center Parcs.

We lopen de deur uit en de kinderen rennen vooruit, de chloorlucht van het zwembad komt ons buiten al tegemoet. De familie Tokkie, onderweg naar weer een paar uurtjes waterfestijn. De gedachte dat mijn eerste werkdag precies over een week weer gaat beginnen schiet door mijn gedachte. Morgen gaan we weer terug naar huis, terug naar de stad, terug naar de A20 die ik hoor ruizen als ik de ramen van de kamer van de kinderen open zet ’s ochtends, terug naar de metro die we in de verte zien rijden, en terug naar de geluiden van de sirenes die regelmatig hoorbaar zijn in de verte. Ik hou van de stad, maar ik hou ook van het strand en de rust die daarbij hoort. De gedachtes aan werken en aan de stad verdwijnen weer langzaam uit mijn gedachtes als ik eenmaal in het warme zwembadwater lig te weken. Its all good.

Beautiful people

Ik draai mijn auto de boulevard op, de Rotterdamse vlag hangt trots in de wind te wapperen. Mijn blik dwaalt even af naar het strandje aan de overkant van de winkels, de zon schijnt en het is een mooie herfstdag. Ik parkeer mijn auto tussen een witte range rover en een zwarte BMW in. Mijn kleinere paarse auto valt een beetje weg tussen deze twee grote vierwielers in.

Na een klein half uurtje kom ik terug van boodschappen doen. Ik zet mijn boodschappen op de achterbank van mijn auto. Mijn kofferbak is niet ruim en is al in beslag genomen door mijn werkspullen dus de boodschappen passen er niet meer bij. Ondertussen is de eigenaar van de auto naast mij ook aangekomen bij zijn auto, en zegt met een glimlach: ‘dat past zeker niet in je kofferbak?’. Ik lach om zijn opmerking en zeg: ‘Nee klopt, maar Ik heb wel altijd plek met parkeren’, antwoord ik terwijl ik naar zijn auto kijk. ‘Ja daar heb je gelijk in’ zegt hij.

Ik woon in een mooie wijk, waar de mensen het goed hebben. De auto’s zijn groot, de huizen zijn niet goedkoop, en de kinderen lopen veelal in merkkleding. Ik ben me er van bewust dat wij het goed hebben, ik zie om me heen dat er mensen zijn die het een stuk minder hebben. Klanten die hun afspraak een paar weken willen opschuiven omdat ze even het geld niet hebben, of die vragen of ze later mogen betalen omdat ze het nog even niet kunnen betalen. Ik doe daar nooit moeilijk over, en ik kan de eerlijkheid ook erg waarderen.

Het is menselijk om meer te willen, om elke keer weer een treetje omhoog te gaan, daar is tenslotte de piramide van Maslow op gebaseerd, het zit in ons systeem. Maar wanneer hebben we genoeg? Wanneer is het punt bereikt waarop we zeggen: ik ben gelukkig met wat ik heb, en wie ik ben. Dat is natuurlijk heel persoonlijk, iedereen is daar weer anders in, en ik vind dat verschil mooi om te zien.

Pas geleden had ik het hierover met een klant, tijdens de behandeling, die in dezelfde wijk woont als ik. Omdat we in dezelfde leeftijdsfase zitten hebben we veel raakvlakken, en daardoor de leukste gesprekken: Wat maakt jouw gelukkig in je leven? Is dat een baan met aanzien? Is dat een groter huis? Of een luxe auto? Ik zelf ben het gelukkigst als ZZP’er, scheurend in mijn Aygo door de stad om bij de mensen thuis hun voeten te verzorgen. Word ik hier rijk van? Nee, dat niet, maar wel erg gelukkig.

Toen ik de behandeling afrondde met de desbetreffend klant wenste ik hem fijne feestdagen toe, en melde ik ook nog even het feit dat er volgend jaar een tariefverhoging aan komt. ‘ik geef je groot gelijk’, reageerde hij erop. Tja tenslotte willen we allemaal een beetje meer…. ?

Liefs, Judith