Het onkruid en de bloem

Warm welkom

Ze is bijna 60 jaar, maar oogt een stuk jonger, en dat terwijl  ze al een heel leven achter de rug heeft. Een leven van drugs, geweld en veel tegenslagen. Ze heeft zich een weg uit deze ellende weten te banen en ze woont nu in een klein huisje aan de rand van een dorp. Ze kijkt uit over een weiland en de vogels fluiten ijverig als ik aankom lopen met mijn werkkoffer. Ik word vrolijk begroet: ‘kom verder, wat fijn dat je er bent’ zegt ze terwijl ze de voordeur voor me open houdt. Ik loop verder en zoek een plekje om te werken in haar kleine woonkamer wat gevuld is met boeken, drie kattenmandjes, planten en wat paperassen. 

Hoe het allemaal begon….

Tijdens de behandeling vertelt ze mij dat haar roots in het Midden-Oosten liggen. Ze vond haar liefde in Nederland en zo is ze hier uiteindelijk beland. ‘Helemaal hoteldebotel en blind van de liefde ‘ was ze. Zo blind dat ze in eerste instantie niet door had dat hij meer oog voor drugs had dan voor haar. Ze besluit om het eens samen een keertje te proberen, maar het is nooit bij dat ene keertje gebleven. Ze vertelt: ‘cocaïne is zo ontzettend verslaafd weet je’.

Het Onkruid

Ik zou het niet weten, denk ik bij mezelf. Toen ik 12 jaar was heb ik eens het boek ‘Het onkruid en de bloem ’gelezen van Remco Campert. Het boek vertelt het verhaal van een 15 jarig meisje dat verslaafd raakt aan verdovende middelen en er uiteindelijk aan overlijdt. Het verhaal heeft zoveel indruk gemaakt op mij dat ik toen ter plekke mezelf plechtig beloofde om nooit aan de drugs te gaan. En die belofte aan mezelf heb ik nooit verbroken.

Paint it red

Ondertussen lak ik haar teennagels rood terwijl ze verder vertelt over hoe ze uiteindelijk kon ontsnappen uit het drugs wereldje. Ze is afgekickt, op eigen kracht, en heeft nooit meer terug gekeken naar haar verleden. Haar kinderen zijn haar alles en haar toenmalige vriend is al geruime tijd uit haar leven. ‘mijn huis is niet groot, maar het is wel van mij, en ik ben weer gezond’. Ze kijkt naar haar gelakte teennagels. ‘Wat mooi, dank je wel’, ze kijkt tevreden naar haar voeten.

En de bloem.

Ze is zelf uit het diepe dal met onkruid omhoog gekropen. Ze is er nog niet helemaal, maar ze komt er wel, uiteindelijk zal ze weer opbloeien. Het leven is tenslotte niet alleen maar rozengeur en manenschijn.

A Girls World

TIK TOK

Het is ’s avonds en ik lig languit op de bank bij te komen van een lange werkdag. Mijn favoriete bezigheid is het kijken van tik-tok filmpjes, even verstand op nul. Ik scrol door de filmpjes als op een gegeven moment mijn aandacht blijft hangen bij een filmpje waar de vraag wordt gesteld:  ‘wat zou je doen als er 24 uur geen mannen op de wereld waren?’ Een vrouw van rond de 25 jaar geeft antwoord: ‘ik zou met het raam open slapen, ik zou in het donker naar het strand gaan, ik zou een minirok dragen in de stad’. Het filmpje raakt me. Het raakt me omdat wij vrouwen opgevoed worden met het idee altijd voorzichtig te zijn in bepaalde situaties. Ik heb er nooit bewust bij stil gestaan hoe het zou kunnen zijn als dat niet nodig zou zijn. Hoe het zou zijn als wij ‘gewoon’ in het donker naar huis kunnen lopen zonder dat we achterom hoeven te kijken, dat we tijdens het uitgaan ons drankje onbewaakt kunnen laten staan zonder dat er iemand misschien wel drugs in zou kunnen gooien? En kleed je vooral niet te uitdagend want je zou weleens wat uit kunnen lokken…

WATCH OUT

Mijn moeder waarschuwde me vroeger elke keer weer als ik ging stappen: ‘let op je drankje, blijf altijd samen met je vriendin etc. etc.’. Gek werd ik ervan! Nu ik zelf een dochter heb snap ik de zorgen van mijn moeder een stuk beter. Mijn dochter is nog lang geen tiener maar ik zal hetzelfde gesprek met haar moeten gaan voeren. En ik ben nu al lang geen tiener meer, maar ik blijf altijd goed opletten. Tijdens het joggen ’s avonds vermijd ik de donkere plekken, en tijdens de stapavonden met mijn vriendinnen houden we elkaar altijd goed in de gaten.

AMBULANT WORK

Toen ik net begon met dit werk was ik druk bezig met het opbouwen van een klantenkring, en dan weet je niet altijd waar je terecht komt. Ik had altijd standaard het grootste werkmesje op mijn mes houder zitten in  mijn werkkoffer, en mijn locatie deelde ik altijd met mijn man via mijn telefoon. Voor het geval ik terecht mocht komen bij iemand die hele ander ideeën had over een pedicure behandeling.  Gelukkig is er nooit  iets geks gebeurt, maar op je hoede zijn is (helaas) nou eenmaal nodig, en ik ken genoeg verhalen van collega-pedicures gehoord die wél vervelende ervaringen hebben meegemaakt. Een collega vertelde mij eens dat een mannelijke klant open deed met alleen een handdoek om zijn middel heen geknoopt, meneer had duidelijk andere intenties. Dit is gelukkig goed afgelopen, maar de ‘ballen’ hebben om dit doen zet je toch wel aan het denken.

EEN GOED BEGIN

Is het dan alleen maar ellende met die mannen? Nee zeker niet! Tijdens mijn werk word er vaak goed voor me gezorgd door de mannelijke klanten. Mijn koffer wordt de trap opgetild, koffie wordt ingeschonken, ik word in mijn jas geholpen en de deur wordt open gehouden voor me. En hoewel ik mezelf zie als een ‘indepent women’ kan ik ouderwetse hoffelijkheid ontzettend waarderen. En dit zal ik zeker meegeven aan mijn zoon. Want als het in de basis goed zit, komen we dan al niet een heel eind? Het is wel ok als je ’s avonds een beetje de afstand bewaart als je achter een meisje loopt in het donker zodat zij zich niet onveilig voelt, en het is niet ok om in de billen te knijpen van een meisje als je achter haar loopt in de discotheek. Als die kleine dingen nou eens wat meer zouden worden meegeven in de opvoeding aan onze jongens, zou dat dan niet het begin kunnen zijn van een grote verandering voor onze meisjes?

Cold feet

De tijdlijn op mijn facebook pagina stroomt vol met foto’s van gezinnen die genieten van de sneeuw. Kinderen op de slee, sneeuwpoppen die zijn gemaakt, selfies van dik ingepakte mensen met rode wangen van de frisse buitenlucht. Ik lig op de bank opgerold onder mijn warme fleecekleed met een kop dampende thee. Vanmiddag was ik ook buiten met de kinderen. De oudste vind het geweldig om met de slee langs de helling van de A20 af te roetsjen. Het was er gezellig druk, veel gezinnetjes die zich vermaakten in de sneeuw.

Maar ik ga er maar gewoon voor uitkomen: ik vind er niks aan. De kou die ervoor zorgt dat mijn vingers één voor één langzaam geel en gevoelloos worden (ondanks het dragen van 2 paar handschoenen over elkaar heen) , de hoeveelheid kleding die ik aan moet trekken voordat ik de deur uitga (om mezelf enigszins nog een beetje warm te houden), en het feit dat mijn lichaam er gewoon lang de tijd voor nodig heeft om weer opgewarmd te zijn. Nee, ik haat de kou. Ik heb warmte nodig: de zon, de sauna, ik mis het zo. Ik kan er niks aan doen, zodra de temperatuur daalt, daalt ook mijn goede humeur.

Mijn dochter krijgt een beetje dezelfde trekjes. Toen we naar een uur sneeuwpret weer richting huis gingen klaagde ze steen en been over de kou. ‘Mama, ik denk aan Spanje, dat het lekker warm is en dat we bij het zwembad zijn.’ Dat vond ik een mooie gedachte, en ik fantaseerde nog een luie ligstoel met een goed boek erbij. Ik heb de wintersport ook echt nooit begrepen. Waarom zou je in godsnaam op vakantie gaan richting de kou terwijl je voor hetzelfde geld ruim een week heerlijk kan vertoeven op het zonnige Gran Canaria? Veel mensen hebben me geprobeerd te overtuigen van de voordelen van de wintersport: ‘Het is hartstikke leuk joh! Het is helemaal niet zo koud. Hartsikke gezellig’. Etc. etc. Ja apres ski dat lijkt me leuk, maar de rest sla ik met liefde over. Als ik vakantie heb dan wil ik gewoon met mijn luie lijf aan het zwembad liggen, cocktailtje erbij en vooral heel veel niks doen.

Maar, ik laat me niet kennen. Ik ga gewoon met mijn kinderen mee naar buiten als er gespeeld moet worden in de sneeuw. Ik sta lachend langs de kant als ze één voor één naar beneden roetsjen op de slee, ik doe mee met sneeuwballen gevechten, en ik bouw de meest creatieve sneeuwpop als dat nodig is. Alles voor de kids. Maar ik kan niet wachten tot de tempratuur weer gaat op lopen en mijn humeur en ik langzaam weer beginnen te ontdooien. Gelukkig ben ik niet de enige die er zo over denkt. Een goede vriendin zei pas geleden: leuk die sneeuw, maar na een dag mag het wel weer opgeruimd zijn.

Ondertussen warm ik mijn koude ijsklomp-voeten en handen op aan mijn man, en zorg ik voor de inwendige mens door mezelf op een glas glühwein te trakteren. En ach, als je eenmaal weer warm binnen zit dan is dat witte landschap best wel mooi om te zien na een paar glaasjes warme wijn.

Brown Eyes

Het is woensdagavond rond 19.00. Het is buiten donker en koud als ik aanbel bij mijn klant. Het is guur en de wind giert gemeen langs mijn gezicht. Ik duik nog dieper in mijn sjaal en probeer mijn handen warm te houden in de zakken van mijn winterjas. Het ganglicht schiet aan en de voordeur zwaait open.

Ik word enthousiast begroet bij de deur en volg hem richting de woonkamer. De kamer is ruim en warm, het hout in de open haard knettert gezellig en het doet me denken aan de vele weekendjes weg in knusse huisjes. De gordijnen zijn gesloten maar ik weet dat daarachter een uitzicht is wat niet zou misstaan op een ansichtkaart. Ik zet mijn werkspullen neer en als ik me omdraai staat hij voor me. Hij kijkt me intens aan met zijn donkerbruine ogen. Ik weet precies wat hij wil van mij.  ‘Ik kom hier om te werken’, zeg ik tegen hem. Maar hij blijft me indringend aankijken, alsof hij het niet heeft gehoord. Ik heb een zwak voor hem, en hij weet dat. Met mijn vingers streel ik door zijn bruine krullen die speels over zijn voorhoofd vallen.

Dan loopt hij naar de ander kant van de woonkamer. Zal de boodschap zijn aangekomen bij hem? Nog geen vijf tellen later staat hij weer naast me, met een knuffel. ‘wat een mooi beertje’ zeg ik tegen hem terwijl ik het aanneem. De ogen van het beertje lijken precies op die van hem en ik smelt weer een beetje. Niet door de warmte van de open haard, maar door de blik in zijn ogen. Hij wil het echt heel graag. Ik weet precies welk spelletje hij wilt spelen , en ik geef toe. Vooruit, één keertje dan, maar dan ga ik echt beginnen met werken spreek ik hem toe.

Ik draai het beertje in mijn handen rond en gooi het met een flinke zwieperd door de kamer. Hij rent erachter aan en komt vrolijk kwispelend met het beertje in zijn bek terug rennen. Ik aai hem nogmaals over zijn koppie: ‘brave jongen, maar ik kom voor je baasje en nu ga ik écht beginnen met werken’. De boodschap is deze keer wel aangekomen en hij kruipt samen met zijn beertje in zijn warme mandje.

Eenmaal thuis gekomen wordt ik vrolijk begroet door mijn hond. Ze snuffelt driftig aan mijn schoenen en broek. ‘Sorry, ik ben vreemd gegaan’, biecht ik haar eerlijk op.  Ze kijkt me aan en loopt naar de lade waar haar koekjes liggen. Alsof ze wil zeggen ‘maak het dan maar goed’. Ik geef haar haar lievelingskoekje en ze rent er blij mee naar het kleedje op de bank waar ze het liefst ligt.

Honden…onweerstaanbaar, toch?

A Mothers Call

‘Mama, ik kan niet slapen’, zegt ze terwijl ze haar armpjes om me heen slaat. Het is rond negen uur in de avond, en ze kan de slaap niet vatten. Ik vraag haar wat er is, ‘ik wil gewoon bij jou zijn mammie’, is haar antwoord. Ik streel haar langen bruine haren en trek haar verder op schoot. Ze legt haar hoofd op mijn schouder en ze zucht vanuit haar tenen. Ik zeg haar dat ze even op de bank mag komen kroelen en haar lijfje ontspant. Binnen tien minuten is ze in slaap gevallen en leg ik haar terug in haar bedje.

Een paar dagen later op de donderdagochtend trek ik de deur dicht van een kamer in het verzorgingstehuis waar ik werk. Een half uur eerder heb ik de dame die daar woont getroost omdat ze het even zwaar had. ‘Iedereen wil ouder worden, maar niemand wil oud zijn’, klinkt het nog na in mijn gedachte. Ik slik een paar keer mijn tranen weg. Mijn gedachte gaan naar iemand die helaas niet oud heeft mogen worden en waar we gisteren afscheid van hebben moeten nemen. Het afscheid was heftig en intens. Er komt verdriet bij kijken wat je voelt in elke vezel van je lijf. Ik duw mijn werkkarretje vooruit, maar mijn motivatie wordt met elke stap minder. Een klant van mij noemt mij weleens ‘het zonnetje’, maar vandaag voel ik weinig reden om te stralen.

Dan hoor ik een bekende stem ‘Hallo Juudje’, zegt ze. Ik kijk op en mijn blik wordt naar een paar donkerbruine ogen geleidt. Ogen die ik al mijn hele leven ken. Het is mijn moeder die in de lange gang staat van het verzorgingstehuis waar ik werk. Ik zeg niks en loop naar haar toe. Ik leg mijn hoofd op haar schouder en vecht tegen de tranen. ‘Hoi mam’ zeg ik met een brok in mijn keel. Haar warme armen slaat ze om mij heen. Vijf minuten laten zitten we aan de koffie. Ik vertel haar over het emotionele afscheid en ze luistert naar mijn verhaal. Daarna gaat het over het werk, dat het een mooie afleiding kan zijn, maar dat je altijd ‘aan’ staat. Je luistert naar de verhalen van de klanten terwijl je die van jezelf weg cijfert. Dat is ‘part of the job’, maar dat valt op een dag als vandaag niet altijd mee. Na het koffie kwartiertje zijn mijn tranen opgedroogd, en mijn hart is gelucht. Dit was precies waar ik behoefte aan had. ‘ik voelde dat ik nodig was’, zegt ze me later.

We hebben allemaal weleens een schouder nodig. Van een moeder, van een vriendin, of van iemand anders die dat kan bieden. Pak die schouder, hou ‘m vast, wees ‘m dierbaar. Want uiteindelijk schijnt er achter de wolken altijd de zon.

Liefs, Judith

Clumsy

Het is ’s ochtends vroeg op een doordeweekse dag. Ik ben bezig met tandpoetsen als ik tegelijkertijd het bed van mijn dochter wil opmaken. Het bedje is bezaaid met knuffels en kussens, dus het gaat niet zonder slag of stoot. Op dat moment mors ik een druppel tandpasta op mijn schone werkjasje. ‘Haastige spoed is zelden goed’, hoor ik een stemmetje zeggen in mijn hoofd, het is de juf van de basisschool die dit vroeger al regelmatig tegen mij zei.

Nadat ik de vlek weggepoetst heb loop ik de trap af en probeer de kinderen te mobiliseren. ‘Jassen aan, schoenen aan, we gaan naar school!’, roep ik de woonkamer in. Na 5 minuten staan ze in de starthouding en ben ik bezig mijn werkkoffer op de bijrijdersstoel aan het zetten. Op dat moment stoot ik mijn hoofd tegen het dak van mijn auto. Ik fatsoeneer mijn knot en ik ga verder met de tocht richting school.  De rest van de dag laat ik mijn sleutels gemiddeld zo’n 3 keer uit mijn handen vallen, en stoot ik mijn teen een keertje (ik heb twee keer een teen gekneusd en een keer zelfs een teen gebroken doordat ik ‘m stootte tegen de bank aan). Zelfs de hond is weleens slachtoffer van mijn onhandigheid: het komt regelmatig voor dat ik per ongeluk op haar pootje sta. (in my offense: ze is klein en ze loopt vaak tussen onze benen door.)

Wat een pechdag zou je zeggen, maar nee hoor, dit is de normale gang van zaken voor mij. En ik zie dat dochterlief dit ‘klungel-gen’ geërfd heeft van mij. Zo heeft ze al heel wat omgegooide bekers limonade op haar naam staan, laat ze regelmatig een stift (zonder dop, op haar witte vloerbedekking) vallen, en is ze al zo’n 5 keer van de trap gestuiterd in haar hele klunzen-carrière. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Gelukkig sta ik er niet alleen voor, er zijn meer mensen die behoorlijk onhandig kunnen zijn,en ik herken het ook onder mijn klanten.Waaronder een dame die buiten was gestruikeld waardoor ze haar voet had gebroken. Tijdens de pedicure behandeling knipte ik heel voorzichtig haar nagels, haar voet zat ingepakt in het gips. Toen ze wilde opstaan na de behandeling viel haar stok, en toen ze eenmaal weer zat in haar comfortabele stoel liet ze hem weer vallen. ‘Ze laat die stok elke vijf minuten vallen’ zei haar man lachend om haar onhandigheid.Of die ene klant die altijd wel een blauwe teennagel heeft omdat hij zo vaak zijn tenen stoot of er iets op laat vallen. Een schrale troost is het om te weten dat er meerdere klunzen zijn zoals ik.

Is het dan wel zo handig om pedicure te zijn?, vraag je je misschien af. Er word tenslotte met mesjes gewerkt die zo scherp zijn dat je er een behoorlijk bloedbad mee kan aanrichten mocht je niet beschikken over een vast hand. En teennagels lakken moet ook goed gebeuren, op mee-geverfde tenen zit niemand te wachten . Ik kan jullie gerust stellen: als ik aan het werk ben dan ben ik super geconcentreerd, en dan focus ik me volledig op één ding. En dat is ook nog eens een ‘ding’ dat ik ontzettend leuk vind om te doen.

Op school was dat wel anders. De concentratie was ver te zoeken en vooral tijdens vakken zoals wiskunde of geschiedenis. Ik heb regelmatig de gang mogen bestuderen na een gezellig kletspartij met mijn buurvrouw. Dat vond ik een stuk leuker dan kijken naar de vakantiedia’s van de leraar-aardrijkskunde die in Zweden op vakantie was geweest. De pedicure opleiding was dan ook voor mij een mooie uitdaging. Je moet hier namelijk heel veel theorie voor studeren. Anatomie, fysiologie, pathologie, en als je geluk had dan werden er ook nog eens Latijnse benamingen bij gebruikt. Dat ik alle vier de theorie-examens in één keer heb gehaald dat is een wonder. ( en veel stampwerk en you-tube filmpjes bekijken.)

Nee, ik ben geen student, laat mij maar lekker met mijn handen bezig zijn. En aangezien ik niet wekelijks mijn pleistervoorraad hoef aan te vullen denk ik dat het mij nog redelijk afgaat. 😉

Liefs, Judith

Growing Pains

‘Ik heb veel meegemaakt in mijn leven, een hoop narigheid’. Ze valt even stil en werpt een blik naar buiten. Ze kijkt uit op een treurwilg en de zon weerkaatst op het slootje waar de grote boom staat, in de verte hoor ik de vogels zingen, het is een mooie dag. Ze vertelt verder, over de zware jeugd zonder haar vader die de concentratiekampen niet had overleefd. Haar moeder moest het alleen zien te rooien samen met haar 2 zusjes en 3 broers. Gaten in haar schoenen, avonden waar er geen eten op tafel stond en waar je met een knorrende maag naar bed ging, koude winters zonder kachel of warme dekens. Omstandigheden waar ik mij niks bij kan voorstellen. Mijn respect groeit met de dag voor deze generatie.

‘Sommige moeilijke momenten horen bij het leven’, verteld ze verder. ‘ik noem ze “groeipijn”, dat zijn de momenten die niet leuk zijn, maar nou eenmaal bij het leven horen en die je maken tot wie je bent geworden’.

Ik denk aan mijn eigen groeipijn-momenten: het moment dat je erachter komt dat iemand een totaal ander persoon blijkt te zijn als dat je altijd had gedacht, het moment dat je positief probeert te blijven terwijl het leven op dat moment voelt als een neerwaartse spiraal, het moment dat je afscheid moet nemen van iemand in je leven die je zo ontzettend dierbaar is dat een leven zonder degene niet voor te stellen is. Dat zijn de momenten die zwaar zijn, maar bij het leven horen. Mijn groeipijnen vallen in het niets vergeleken met die van mevrouw.

Ze vouwt haar gerimpelde handen in elkaar en gaat verder: ik word dit jaar 88 jaar, elk jaar vraag ik mezelf met de herfst af of ik volgend jaar weer de blaadjes zie vallen, en elk jaar vier ik het feit dat ik er weer een lente bij heb gekregen.

Ik rond de behandeling af en pak langzamerhand mijn spullen in. We praten nog even na. ‘ik geniet van de kleine dingen in het leven, van mijn kinderen en kleinkinderen, en van mooi weer zoals vandaag’, zegt ze.

Later die week wordt mijn dochter midden in de nacht huilend wakker. Mama, ik heb zo’n last van mijn benen’, jammert ze. Ik kom naast haar zitten op haar kleuterbedje en leg haar uit dat het groeipijnen zijn. ‘Dan wil ik niet groeien mama’, is haar antwoord. ‘Ja wijffie, groter worden kost nu eenmaal wat moeite en daar kunnen wat pijntjes bij horen’, vertel ik haar terwijl ik haar lange bruine haar uit haar fijne gezichtje veeg. Ik troost haar en ze valt langzamerhand weer in slaap.

Terwijl ik mijn bed instap denk ik nog even aan het gesprek terug wat ik had met de desbetreffende mevrouw, uiteindelijk krijgen we allemaal te maken met moeilijke momenten. Onthoud dat je er nooit alleen voor staat, er is altijd wel ergens een luisterend oor in de buurt. Of dat nou je moeder is of je eigen pedicure, er is altijd wel iemand die de pijn kan verzachten.

Liefs, Judith

If we took a holiday.

‘Ga je nog op vakantie?’, is een vraag die mij nu veel gesteld word tijdens het werk. En die vraag moet ik helaas beantwoorden met een ‘Nee’. We hadden een vakantie geboekt naar Fuerte Ventura. Heerlijk naar een Spaans eiland, de muziek, het eten, de taal, de sfeer, ik heb er een zwak voor. Maar naarmate de vakantie vorderde kreeg ik het toch wel een beetje (Spaans ) benauwd. Het feit dat we ruim vierenhalf uur met een mondkapje op zouden moeten zitten in het vliegtuig, en dan laat ik de openbare ruimtes nog even achterwege waar ook een mondkapje wordt verwacht, dat zag ik toch  niet zo zitten. En stel voor dat er iets gebeurt, dat er iets uitbreekt, dan zit je daar met twee kids….

Dat de vakantie werd geannuleerd door de reisorganisatie kwam ons dan eigenlijk toch wel goed uit. Ik geef toe dat ik moest wennen aan het idee dat we niet op vakantie zouden gaan, ik zag mezelf al aan het zwembad liggen met een kannetje sangria binnen handbereik, maar het feit dat wij niet de enige zijn die in deze situatie zitten is een schrale troost.  We hebben besloten om thuis te blijven en om onze drie weken vakantie op te vullen met dagjes uit: naar vrienden op de camping, de toerist in eigen stad uithangen, lange pyjama ochtenden en late film avondjes. Nu dat idee geland is kijk ik er eigenlijk wel naar uit.

Ik besprak mijn vakantie-perikelen met een klant van mij, een meneer van 87 jaar die elke jaar all- inclusieve gaat in Turkije. Dit jaar zou hij het over een andere boeg gooien: hij had een vakantie geboekt naar ‘Benniedorm’. Ook hij heeft besloten om niet te gaan. ‘Ben gekke Henkie niet, ik blijf veilig thuis meissie’, was zijn antwoord op mijn vraag of hij nog weg gaat.

Andere klanten van mij durven het wel aan om te vliegen, of met de auto naar het buitenland op vakantie te gaan. Iedereen heeft zijn eigen ideeën en opvullingen wat de zomervakantie betreft.

 Ik hoop dat iedereen weer veilig en gezond thuis komt. En dat we onze vakanties volgend jaar weer op de manier kunnen invullen waarop we het liefst zouden willen. Een wijze klant op leeftijd zei tegen mij: ‘eigenlijk is het gewoon een luxeprobleem’. En daar geef ik haar helemaal gelijk in..

Liefs, Judith

Perfect Cat

‘Hallo Sjoedith, wat ben ik blij je te zien’, zegt ze met een licht Frans accent. Mevrouw woont al heel lang in Nederland, maar haar accent is lichtelijk aanwezig. Ze staat in de deuropening van haar knusse huisje als ze me vriendelijk begroet. Ik zet mijn mondkapje op als ik dichterbij kom. ‘Goedendag Mevrouw, wat fijn om u weer te zien’. Ze antwoord dat ze zich heeft verheugd op de pedicure-behandeling: ‘je bent de eerste die weer binnen komt sinds weken, er is nog niemand langs geweest, zelfs de schoonmaakster is al een poosje niet meer langs gekomen. Mijn kinderen willen liever niet te veel voetjes over de vloer hebben bij me, ze willen me beschermen. Maar ik heb gezegd tegen ze dat ik echt mijn voeten gedaan wil hebben, ik vond het de vorige keer zo fijn’.

Ik laat haar voor gaan naar binnen en via een smal gangetje lopen we haar gezellige woonkamer in. De kamer is gevuld met foto’s, beeldjes en allerlei prullaria. Na wat geschuif met stoelen over en weer heb ik een werkruimte kunnen creëren. We beginnen met de behandeling maar halverwege krijg ik kriebel in mijn neus en mijn ogen beginnen te branden. Ik kan een niesbui niet onderdrukken en draai me weg van haar om te kunnen niezen. Dan zie ik haar kat zitten in de keuken, daar zit ie, de kleine boosdoener. Ik ben namelijk ont-zet-tend allergisch voor katten. De ene keer is het erger dan de andere keer, maar nu kwam de bui wel heel snel opzetten. Dat de schoonmaakster al een tijdje niet is geweest werkt ook niet mee bedenk ik me. Ik excuseer me en vertel haar dat ik allergisch ben. Dan verteld ze me over haar kat, dat die uit het asiel is gehaald en dat het beestje haar heel veel liefde en gezelschap geeft. Ondertussen is het beestje mijn kant op gekomen en strijkt met zijn flank langs mijn benen. Voorzichtig schuif ik de zwarte kat met bruine vlekjes aan de kant. Kattenharen op mijn broek staat garant voor nog veel meer niesbuien.

Ik zal er ook maar eerlijk voor uitkomen, buiten het feit dat ik allergisch ben, ben ik ook gewoon geen kattenmens. En volgens mij is het vaak wederzijds. Als klein meisje had ik regelmatig een kras op mijn arm omdat de kat die ik buiten op straat wilde aaien geen zin had in een kroelpartij met mij. Als ik op visite kwam bij mensen met een kat sprongen ze (vanuit het niets) op mijn schoot om fijn even hun nagels in mijn broek te zetten. En tegenwoordig ben ik dus ook nog eens behoorlijk allergisch voor deze beestjes. Het mag duidelijk zijn: katten en ik gaan gewoon niet samen. En ik verdenk katten ervan dat ze dat stiekem dondersgoed weten, ze komen me altijd opzoeken, springen bij me op schoot, en kruipen in mijn werktas om daar vervolgens zichzelf in te installeren.

Terwijl ik mijn spullen inpak na de behandeling komt mevrouw na me toe geschuifeld: ‘ik wil je wat geven, voor als ik er niet meer ben, dan kan je nog eens aan me denken’. Ik kijk haar vragend aan, mevrouw is 85 jaar, maar nog zo fit als een hoentje. Ze verzekerd me dat alles goed gaat met haar, maar dat ze me graag wat wilt geven. Ze opent haar gerimpelde handen en laat me een beeldje van een kat zien. ‘Die is voor jou, ik weet zeker dat je van deze kat niet gaat niezen’. Ik pak het beeldje aan, het is van groen glas en het is een kat die zijn rug bolt. Ik vind ‘m prachtig, en hij past precies bij de kleuren van mijn woonkamer. ‘Jeetje, dank u wel, zeg ik zachtjes, wat ontzettend lief’. ‘Die krijgt een mooi plekje in de woonkamer’, beloof ik haar, en ik stop het beeldje voorzichtig in een veilig plekje in mijn tas. Mevrouw laat me uit en zwaait totdat ik uit haar zicht ben verdwenen.

Eenmaal thuis gekomen haal ik het beeldje uit mijn tas en bekijk het nogmaals. Ik hou het poezenbeeldje tegen het licht aan en de kat glimt mooi in het zonnetje als ik ‘m op de plank boven de bank neerzet, alsof die er al jaren staat.

Nee, ik ben geen kattenmens, maar voor sommige katten maak ik graag een uitzondering….

Young Blood

Het is midden in de nacht als ik in de verte heel zachtjes iemand ‘mama’ hoor zeggen. Ik open langzaam mijn ogen en bevind me nog in de schemerwereld tussen slapen en wakker zijn in. Op het moment dat ik weer verder in slaap sukkel hoor ik weer ‘mama’ in de verte en ik besef me dat het geen droom is. Ik werp een blik op mijn wekker die aangeeft dat het kwart over één is. Ik word weer geroepen, nu iets harder, het komt vanuit de overloop. Ik trek mijn warme duster en pantoffels aan en loop richting de gang.

In het flauwe licht van de badkamer zie ik mijn zoon staan, hij zit onder het bloed. Zijn gezicht en zijn armen zijn er helemaal besmeurd mee. Hij trilt op zijn benen, zijn ‘stokjes’, zoals wij ze liefkozend noemen. Tijdens menig voetbalwedstrijd rent hij als een mini tornado over het veld ermee, mijn stoere vent. Maar op dit moment is niks terug te vinden van zijn stoere kant en oogt hij kwetsbaar. Ik schrik: ‘jeetje knul wat is er gebeurd, het lijkt wel of je hebt gevochten’. Hij vertelt mij dat hij een bloedneus heeft en ik neem hem naar de badkamer. Ik maak een washandje nat waarmee ik voorzichtig zijn gezicht en zijn armen schoonmaak. Het bloeden gaat door en ik geef hem een tissue om het mee te stelpen.

Ik sla een arm om hem heen als we naar zijn slaapkamer toe lopen en mijn oog valt op zijn vloerbedekking. Toen mijn man en ik dit huis gingen inrichten hadden we gekozen voor witte vloerbedekking. Lekker warm aan je voeten en het oogt mooi, vonden we toen. Totaal niet bij stil gestaan dat er ooit misschien wel nageslacht zou komen die in deze slaapkamers zouden gaan leven. In de loop van de jaren is er al van alles over de vloer gegaan: braaksel, lijm, stift, bekers limo, paprika chips, putty. Het is een wonder dat het er nog zo netjes uit ziet. Tot aan deze avond: over de gehele vloer liggen bloeddruppels verspreid, een gemiddeld plaats delict zou er niet voor onder doen.

‘Sorry mama’, zegt hij. Ik vertel hem dat het niet erg is en dat hij maar lekker zijn warme bed in moet kruipen. (Die wonder boven wonder schoon is gebleven) Hij klimt zijn bed in met de tissue tegen zijn neus aan. Ik ga aan de slag en schrob het plaats delict schoon met koud water. Na ruim een half uur ben ik klaar en zijn alle sporen gewist, de crime scene is schoon geveegd. Het schoonmaken ging me makkelijker af als ik had verwacht, alsof ik het vaker heb gedaan, hopelijk niet iets uit een vorig leven.

‘Ik kan niet slapen mama’, hoor ik vanuit de hoogslaper als ik de schoonmaakspullen wil opruimen. ‘Ik kom wel even bij je liggen lieffie’, zeg ik tegen hem. Ik kruip bij hem in bed onder zijn Freek dekbed en zie dat het bloeden gestopt is. Hij kruipt tegen mij aan en zegt: ‘het is net alsof Corona al heel normaal is he mama?’ Ik glimlach en terwijl ik een aai over zijn bol geef zeg ik: ‘het went snel he?’.

Zijn ademhaling wordt zwaarder en hij valt in slaap. Voorzichtig klim ik zijn bed uit en kruip mijn eigen bed in, de wekker geeft half drie aan. Ik denk nog even terug aan zijn opmerking over Corona: de onzichtbare vijand. Dan kan je het beter opnemen tegen iemand die je wel ziet, iemand die zichtbaar is, iemand die je een bloedneus kan kosten. Dat is pas een eerlijke strijd.

Liefs, Judith